Browse results

De Rotterdamse Woelreus

De Rotterdamsche Hermes (1720-1721) van Jacob Campo Weyerman: Cultuurhistorische verkenningen in een achttiende-eeuwse periodiek

Elly Groenenboom-Draai

13 september 1720... aan de Kralingse Oudedijk, in Leeuwenburg, resideert 'kasteelheer' Jacob Campo Weyerman als Rotterdamsche Hermes. Dit 'Monster aan de Maze', kwelgeest van professie, beheerst met een scherpe pen zijn omgeving en bespot mens en wereld. Hij voert ons door Kralingen en Rotterdam, door de Republiek en de buurlanden, kwistig strooiend met schimpscheuten. Maar wie bereid is tot nader vorsen, treft daaronder een schat aan feiten en meningen.
Over die rijkdommen gaat dit boek. Het geeft een beeld van wat Weyermans eerste periodiek, de Rotterdamsche Hermes, oproept én verbergt. We zien zijn alter ego, Hermes, in Rotterdamse kroegen en koffiehuizen, schimpend op kooplieden, windhandelaars en kunstenaars. Niets en niemand ontkomt aan zijn venijnige satire: Rooms-katholieken noch quakers, orthodoxen noch vrijdenkers, artsen noch kwakzalvers, dichters noch acteurs, immigranten noch autochtonen. Dit boek ontmaskert de Rotterdamsche Hermes als een rijke bron van kennis over het verleden en een kleurrijk vuurwerk van taal. Het boek is geïllustreerd en telt 597 pagina's, ontsloten door een uitvoerige index van 31 bladzijden.

Edited by A.J. Hanou and G.J. Vis

Jan KINKER (1764-1845) is, omstreeks 1800, ongetwijfeld een van Nederlands belangrijkste schrijvers en denkers geweest.
In dit (laatste) deel van zijn uitgegeven briefwisseling (1829-1843) treffen we hem in de eerste jaren aan als hoogleraar Nederlands te Luik. Moeilijke en hectische jaren: de scheuring van het Koninkrijk kondigt zich aan, de opstand volgt. We treffen Kinker als ooggetuige en reporter, en als informant van de regering. Vanuit zijn moeilijke positie als 'Hollander' te Luik poogt Kinker gestalte te geven aan zijn 'Verlichting', en bevordert hij de positie van het Nederlands in het Zuiden. Hij bestrijdt wat hij ziet als een onzalig verbond tussen conservatief katholicisme en misplaatst liberalisme. Kinkers brieven geven zowel 'petite' als 'grande' histoire en kunnen beschouwd worden als een van de beste bronnen voor de geschiedenis van '1830'.
Na zijn ontslag en terugkeer naar Amsterdam treedt Kinker nog steeds op als adviseur en lid van literaire en wetenschappelijke genootschappen, terwijl hij op hoge leeftijd als culturele figuur nog volop levend blijkt. Ook zijn er indicaties voor hernieuwde filosofische activiteit.
Het hier gepresenteerde, tot nu toe grotendeels onbekende materiaal, vervolledigt het beeld van een originele, internationaal georiënteerde Nederlander, en verbetert ons zicht op Nederland en Europa in de eerste helft van de negentiende eeuw.

De uitvaert van het Vryje Metzelaersgilde

Een anti-maçonnieke klucht uit 1735

We zijn in Scheveningen, in de winter van 1735. Over enkele ogenblikken zullen we getuige zijn van een merkwaardige begrafenis. Niet van een mens, maar van een hele beweging. Het is de Nederlandse vrijmetselarij die hier haar uitvaart zal beleven; symbolisch, zoals men in de achttiende-eeuwse literatuur ook een krant, een ideologie, ja zelfs een mens ten grave kon dragen. Met inachtneming van alle - toen in zwang zijnde - ceremoniële regels.
De Haagse auteurs Albertus Frese en Christiaen Schaef zaten barstensvol leedvermaak toen zij De Uitvaert van het vryje Metzelaersgilde construeerden. Kort daarvóór was de vrijmetselarij door de Staten van Holland en West-Friesland verboden verklaard. Met dit gelegenheidstoneelstukje gaven zij uiting aan een in de achttiende eeuw algemeen verbreid wantrouwen jegens een orde, die haar leden (althans op papier) op straffe des doods verplichtte tot absolute geheimhouding van wat er in de loge gebeurde. Dit riekte naar losbandige praktijken die het daglicht niet konden velen. Mogelijk was zelfs homosexualiteit in het spel, in die tijd een zonde, waarop de doodstraf stond. De Uitvaert van het vryje Metzelaersgilde verdient het om opnieuw - voorzien van een uitgebreide inleiding en annotaties - uitgegeven te worden. Niet alleen omdat het de eerste anti-maçonnieke tekst is die in onze taal verscheen. Maar ook omdat het een momentopname biedt van een onrustige tijd, waarin geruchten grote gevolgen konden hebben.
De Uitvaert is bovendien een gaaf voorbeeld van het in de achttiende eeuw zo populaire schertsbegrafenisgenre. De indertijd beroerde reputatie van het doodbiddersgilde - trefwoorden: vies, voos, vilein - heeft in belangrijke mate aan dit succes bijgedragen.

Een drukkend gewicht

Leven en werk van de zeventiende-eeuwse veelschrijver Simon de Vries

Arianne Baggerman

Wie was 'den beruchten Utrechtschen schoolmeester Simon de Vries'? Tot nu toe kon niemand daar een bevredigend antwoord op geven. Reeds in de achttiende eeuw was het leven van deze zeventiende-eeuwse auteur van minstens 57 titels in nevelen gehuld. Een groot deel van zijn oeuvre bestaat uit 'Reader's-digest-achtige' compilatiebundels waarin de zeventiende-eeuwse lezer antwoord kreeg op tal van vragen: Hoe zien mensen eruit na de wederopstanding? Lopen er mannetjes op de maan? Wat is een Grobianus? Kan er vlees uit de aarde groeien? Welk land herbergt de meeste schoenmakers? Waarom hebben de vrouwen in Nieuw-Guinea zulke grote neusgaten? In zekere zin is De Vries te beschouwen als een voorloper van achttiende-eeuwse verlichte broodschrijvers als Gerrit Paape en Jacob Campo Weyerman. Toch was deze voorstander van heksenverbrandingen bepaald geen verlicht auteur. Hij leefde dan ook in een andere tijd en schreef voor een ander lezerspubliek. In 1691 nam hij de handschoen op tegen Balthasar Bekker en zijn omstreden boek De betoverde weereld waarin het geloof in heksen en duivels werd bestreden. Door zijn venijnige aanval op Bekker lijkt De Vries zich bij het nageslacht voorgoed onmogelijk te hebben gemaakt. De latere achttiende-eeuwse auteurs van populaire lectuur wensten niet met zijn naam te worden verbonden. Hij werd door hen gekarikaturiseerd als een bijgelovig schrijver van ouderwetse pulplectuur. Toch had deze schrijver nog wel wat meer in zijn mars. In deze studie wordt onder andere uitvoerig ingegaan op de levensomstandigheden waarin De Vries verkeerde, zijn denkbeelden, zijn contacten met uitgevers, zijn conflict met Balthasar Bekker, het lezerspubliek van De Vries' boeken en de receptie van zijn werk in de zeventiende en achttiende eeuw. Met dit boek treedt eindelijk de geheimzinnige 'Utrechtse schoolmeester' in het volle licht. De lezer maakt hierin kennis met een geheel ander type auteur als Hooft, Vondel, Huygens of Cats; en met teksten van een geheel andere aard dan die doorgaans uit de 'Renaissance' worden verwacht.

Franco Burgersdijk (1590-1635)

Neo-aristotelian in Leiden

Edited by E.P. Bos and H.A. Krop

Paul Estié

In 1991 voltooide men de restauratie van de kerk der Edamse lutheranen, 250 jaar nadat deze was gebouwd. Naar aanleiding van dit gebeuren schreef de auteur op verzoek van de kerkeraad deze Geschiedenis van de evangelisch-lutherse gemeente te Edam. In zijn boek maken wij kennis met het leven van een kleine en grotendeels uit eenvoudige mensen bestaande kerkelijke gemeenschap, die in de zeventiende eeuw werd gesticht door enkele naar Edam getrokken lutherse 'gastarbeiders' uit Duitsland en Scandinavië, die weliswaar Nederlanders werden, maar hun uit den vreemde meegebrachte geloofsovertuiging wensten te bewaren. Deze gemeente, die haar bloei voornamelijk dankte aan voortgaande immigratie, kwam iedere zondag bijeen in haar eigen kerk om te luisteren naar de predikant, die het Evangelie verkondigde en hun enkele keren per jaar het sacrament van het Heilig Avondmaal uitreikte. De gebeurtenissen die zich daaromheen afspeelden vormen slechts een 'petite histoire', die wellicht kan worden getypeerd met de woorden: kleinschalig, kleinsteeds en kleinburgerlijk. Toch geeft deze bescheiden geschiedenis ons enig inzicht in de taaie volharding waarmee de predikanten, kerkeraadsleden en gewone leden ruim 350 jaar tezamen hun eigen lutherse gemeente in stand hielden, met alle moeite, zorg en strijd die dit streven met zich bracht.

Edited by A.J. Hanou and G.J. Vis

Over beeldcultuur

Fotografie, film, televisie, video

Jan Marie Peters

Edited by A.J. Hanou and G.J. Vis