Browse results

De parels en de kroon

Het koningshuis en de koloniën

Geert Oostindie

De parels en de kroon is de eerste studie van de bijzondere verhouding tussen het huis van Oranje Nassau en de koloniën. In vogelvlucht beschrijft Gert Oostindie de macht en belangen van de Oranjes in de koloniën en laat zien hoe het koningshuis werd ingezet om loyaliteits-gevoel met het moederland te kweken. Oostindie verklaart waarom in Indië slechts kleine minderheden zoals de Indo's, Molukkers en lokale vorsten zich door de 'Hollandse' koning of koningin voelden aangesproken, terwijl onder de Surinaamse en Antilliaanse bevolking wél een band ontstond. In de West werd aan het koningshuis grote macht en liefde voor de koloniale onderdanen toegedacht. Nog altijd leeft daar de gedachte dat de koningin van haar overzeese onderdanen houdt en dat ze helpt waar ze kan. Ook vele postkoloniale migranten in Nederland koesteren zulke denkbeelden. Maar hoe diep gaat die Oranjeliefde eigenlijk, daar en hier, in verleden en heden? Om die vragen draait het in De parels en de kroon. Gert Oostindie laat koninklijke bezoeken de revue passeren, Oranjefeesten, de persoonlijke bemoeienis en voorkeuren van de vorsten en nog veel meer—rijk geïllustreerd met schitterende, niet eerder getoonde historische foto's.

De Protestantse kerk in de Midden-Molukken, 1803-1854

Een bronnenpublicatie. Eerste deel: 1803-1854

Chr. de Jong

Deze tweedelige bronnenpublicatie betreffende de geschiedenis van de kerk (t.w. de Indische Kerk en het Nederlands Zendelinggenootschap, NZG) en de christenheid in de Midden-Molukken omvat in totaal 332 documenten, ontleend aan archieven in Indonesië, Nederland en Engeland. Deel I (1803-1854) wordt geopend met een historische inleiding en kent een glossarium. Deel II (1854-1900) bevat bijlagen met biografische gegevens van predikanten, hulppredikers, zendelingen en hoofden van bestuur, alsmede tabellen met aantallen en woonplaatsen van de Molukse christenen op Ambon, de Uliassers, Ceram en omliggende eilanden, althans voorzover bekend.
De documenten, die waar nodig van aantekeningen zijn voorzien, zijn van de hand van regerings- en bestuursambtenaren, predikanten, zendelingen, schoolmeesters en het NZG-bestuur. De documenten betreffen de meest uiteenlopende zaken, zoals het kerkelijk leven in de Engelse tijd (die eindigde in maart 1817), de verhouding tussen kerk en traditionele religie, de betrekkingen tussen de Indische Kerk, het NZG en de regering die zich altijd intensief met het geloofsleven van de Molukse bevolking heeft ingelaten, de ontwikkeling en vormgeving van het volksonderwijs inclusief de daarbij gebruikte methoden en leermiddelen, het ontstaan van een eigen vorm van vroomheid en de manier waarop kerk en zending daarmee omgingen, het gebruik en de verspreiding van de bijbel, psalm- en gezangboeken, “leerredenen” en andere kerkelijke teksten, de problemen rondom de Maleise bijbelvertaling, de voor de Molukse kerk- en cultuurgeschiedenis zo belangrijke groep van schoolmeesters-voorgangers, en tot slot de betrekkingen van de kerk en de islam, en, aan het eind der eeuw, die tussen de kerk en de roomse Missie.

De Protestantse kerk in de Midden-Molukken, 1854-1900

Een bronnenpublicatie. Tweede deel: 1854-1900

Chr. de Jong

Deze tweedelige bronnenpublicatie betreffende de geschiedenis van de kerk (t.w. de Indische Kerk en het Nederlands Zendelinggenootschap, NZG) en de christenheid in de Midden-Molukken omvat in totaal 332 documenten, ontleend aan archieven in Indonesië, Nederland en Engeland. Deel I (1803-1854) wordt geopend met een historische inleiding en kent een glossarium. Deel II (1854-1900) bevat bijlagen met biografische gegevens van predikanten, hulppredikers, zendelingen en hoofden van bestuur, alsmede tabellen met aantallen en woonplaatsen van de Molukse christenen op Ambon, de Uliassers, Ceram en omliggende eilanden, althans voorzover bekend.
De documenten, die waar nodig van aantekeningen zijn voorzien, zijn van de hand van regerings- en bestuursambtenaren, predikanten, zendelingen, schoolmeesters en het NZG-bestuur. De documenten betreffen de meest uiteenlopende zaken, zoals het kerkelijk leven in de Engelse tijd (die eindigde in maart 1817), de verhouding tussen kerk en traditionele religie, de betrekkingen tussen de Indische Kerk, het NZG en de regering die zich altijd intensief met het geloofsleven van de Molukse bevolking heeft ingelaten, de ontwikkeling en vormgeving van het volksonderwijs inclusief de daarbij gebruikte methoden en leermiddelen, het ontstaan van een eigen vorm van vroomheid en de manier waarop kerk en zending daarmee omgingen, het gebruik en de verspreiding van de bijbel, psalm- en gezangboeken, “leerredenen” en andere kerkelijke teksten, de problemen rondom de Maleise bijbelvertaling, de voor de Molukse kerk- en cultuurgeschiedenis zo belangrijke groep van schoolmeesters-voorgangers, en tot slot de betrekkingen van de kerk en de islam, en, aan het eind der eeuw, die tussen de kerk en de roomse Missie.

De Indische zomer in Den Haag

Het cultureel erfgoed van de Indische hoofdstad

Series:

Edited by Esther Captain, Maartje de Haan and Pim Westerkamp

Den Haag is de Indische hoofdstad van Nederland. Dat was al zo tijdens de koloniale periode. Verlofgangers uit Indië streken neer in de buurt rond de departementen en zorgden voor een Indische sfeer. Gebouwen, monumenten, straatnamen, buurten en kunstcollecties herinneren aan deze periode. Na de Indonesische onafhankelijkheid, toen veel Indische Nederlanders zich in de residentie vestigden, bleef Den Haag de Indische hoofdstad. De Indische cultuur wordt hier levend gehouden door de jaarlijkse Pasar Malam Besar, Stichting Het Indisch Huis, tal van Indische verenigingen en in literatuur, muziek en beeldende kunst van Indische Hagenaars. Allemaal getuigen van een bloeiende Indische cultuur en nieuwe generaties met Indische creativiteit. In deze bundel wordt in twaalf bijdragen gereflecteerd op het Indische erfgoed en de Indische cultuur in Den Haag. Aan de orde komen De Gebouwde Omgeving, De Indische Muze en De Indische Mens. Elke bijdrage geeft een fascinerend beeld van de enorm gevarieerde wisselwerking tussen het Indische en Den Haag. Dit boek maakt duidelijk hoezeer het ‘artistieke en creatieve Indische’ zich ook buiten de grenzen van Den Haag heeft doen gelden.
Deze bundel is uitgebracht ter gelegenheid van de manifestatie De Indische Zomer’ die in 2005 in Den Haag plaatsvond.

Koloniale inspiratie

Frankrijk, Nederland en Indië en de wereldtentoonstellingen

Marieke Bloembergen

Rondom 1900 brachten de wereldtentoonstellingen Frankrijk, Nederland en Nederlands-Indië letterlijk dichter bij elkaar. Terwijl Frankrijk uitblonk in het organiseren van deze prestigieuze wedstrijden in de vooruitgang, maakte Nederland hier goede sier met zijn koloniën. Deze vertoningen van handelswaar, etnografische voorwerpen, tempels en complete Javaanse dorpen inclusief bewoners waren een groot succes in Frankrijk. Ze wakkerden vooral een (welhaast typisch Frans) besef aan van de kunstzinnige inheemse cultuur van Nederlands-Indië. Beroemd is le village javanais, een uiterst populaire Nederlandse inzending op de Exposition Universelle van 1889, waar tussen de vele bezoekers met enige regelmaat de schilder Paul Gauguin, de componist Claude Debussy en de schrijvers Emile Zola en Edmond de Goncourt waren te zien. Debussy hoorde hier in de Javaanse gamelan een contrapunt waarbij hij dat van Palestrina kinderspel noemde. Voor hem was deze een belangrijke inspiratiebron voor enkele van zijn vernieuwende pianocomposities.
Deze bundel bevat een selectie uit het veelzijdige materiaal over dit onderwerp, variërend van congresverslagen, foto’s, tekeningen en beschrijvingen in catalogi, dagbladen, geïllustreerde weekbladen, tentoonstellingsverslagen en gedenkboeken en persoonlijke impressies in dagboeken en brieven. Zowel de loftuitingen als de negatieve anti-imperialistische geluiden komen aan bod.
Uitgegeven ter gelegenheid van de boekenweek 2003

Kruidnagelen en christenen

De Verenigde Oostindische Compagnie en de bevolking van Ambon, 1656-1696

Series:

Gerrit Knaap

Veel historici hebben er de laatste decennia op gewezen dat de gedachte van 350 jaar Nederlandse overheersing over Indonesië een mythe is. De verovering was een geleidelijk proces en pas na 1900 deed het koloniaal gezag zich in bijna alle uithoeken gelden. Het gebied dat echter nog het dichtste in de buurt van die 350 jaar komt, is het gewest Ambon, dat reeds in 1605 door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) werd bezet. Het VOC-bestuur over Ambon is over het algemeen gekenschetst als een niets ontziende uitbuiting van de bevolking door middel van een met geweld afgedwongen monopolie in de kruidnagelhandel. Dit boek beoogt, op basis van literatuur en originele archiefstukken, na te gaan wat de interventie van de VOC in werkelijkheid betekende. De nadruk ligt daarbij op de tweede helft van de zeventiende eeuw, toen de kruitdampen waren opgetrokken en het gezag van de VOC stevig was gevestigd. Door een gedetailleerde reconstructie en analyse van de diverse terreinen van het maatschappelijk leven in socio-politiek, religieus, demografisch en economisch opzicht wordt een zo nauwkeurig mogelijk beeld geschetst van de invloed van de VOC. Niet alleen de kruidnagelen waren voor de VOC belangrijk; ook de godsdienst, de herendiensten en een ordelijk bestuur hadden de aandacht. De rol van de kruidnagel en het monopolie wordt niet, zoals in veel eerdere literatuur, in het perspectief van een markteconomie behandeld, maar in dat van een op zelfvoorziening gerichte economische orde. Dit boek is niet alleen van belang voor de kennis van de relatie Ambon-VOC, maar gaat ook uitgebreid in op de interne structuur en ontwikkelingsgang van de Ambonse samenleving.

Sirtjo Koolhof and Geert Oostindie

De wereldgeschiedenis wordt wel beschreven als een lange aaneenschakeling van gewelddadigheden. Bezien vanuit deze eenzijdige invalshoek vormt de Nederlandse koloniale geschiedenis bepaald geen uitzondering. Onthutst verhaalden de eerste ontdekkingsreizigers en kolonisten over de gewelddadige gewoontes die zij aantroffen in wat spoedig Nederlandse bezittingen zouden zijn. Om die kolonisatie mogelijk te maken en vervolgens hun macht blijvend te vestigen, namen zij vervolgens hun toevlucht tot 'legitiem geweld'dat niet zelden neerkwam op brute onderdrukking. In een dertigtal fragmenten geeft Koloniaal dodenkabinet een beeld van deze geschiedenis. We lezen hoe pioniers als Padtbrugge en Valentijn met afschuw berichten over koppensnellerij en kannibalisme in de Molukken en Minahasa, hoe het koloniaal gezag meedogenloos slavenopstanden in Suriname en Curaçao onderdrukt en ten koste van enorme verliezen onder de nieuwe onderdanen buitengewesten als Bali en Atjeh onderwerpt, hoe voortdurend verzet en de twintigste-eeuwse onafhankelijkheidsstrijd nieuw geweld oproept. Daarnaast zijn er verhalen opgenomen over de soms wrede natuur, die met aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, wilde dieren en vreselijke ziektes talloze slachtoffers maakt. Ook wordt er verhaald van wilde pogroms, van crimes passionels en van publieke berechtingen van vermeende misdadigers. Vrijwel alle verhalen zijn ontleend aan ooggetuigenverslagen of ten minste in de tijd zelf opgeschreven documenten. Daarnaast zijn fragmenten uit de mondelinge overlevering opgenomen. Slechts een enkel fragment is ontleend aan fictie. In alle gevallen geldt dat de fragmenten mede zijn uitgekozen op hun leesbaarheid voor een 21ste-eeuwer. Zo is Koloniaal dodenkabinet een even huiveringwekkend als leesbaar memento geworden voor drieëneenhalve eeuw Nederlandse aanwezigheid in 'Oost en West'.

Journalisten en heethoofden

Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse dagbladpers 1744-1905

Gerard Termorshuizen

'Het passeren van de evenaar maakt de meest bezadigde journalist tot een heethoofd', schreef een Indische krantenman in 1888. Het karakteriseert de wijze waarop de journalist reageerde op de verwaarlozing van de kolonie, waar de pers de enige uitlaatklep was van de publieke opinie. Strijdvaardig en geëmotioneerd, ontwikkelde zij een geheel eigen `tropenstijl'. Omdat persvrijheid ontbrak, waren hevige botsingen tussen kranten en gouvernement schering en inslag.
Indische kranten hadden een sterk persoonlijke band met hun lezers en vormen een bijzondere bron van informatie over de histoire intime van de Europese samenleving, alsook over de relaties tussen "volbloeds", Indo-Europeanen en inheemsen. De Indischgasten hadden grote behoefte aan afleiding en de kranten speelden daarop in. Hun Indische literaire feuilletons zijn het fundament geweest voor de Indisch-Nederlandse letterkunde.
Een werk als dit is nooit eerder geschreven. Het is gebaseerd op de kranten zelf, en geeft behalve een geschiedenis van de Indische pers een schat aan informatie van koloniaal-politieke, sociale en culturele aard. Het beslaat de periode vanaf 1745 tot omstreeks 1905, wanneer zich een nieuwe fase aankondigt in de kolonie. Dit boek vormt daarom een min of meer afgerond geheel.
Gezamenlijke uitgave met Nijgh & Van Ditmar

As soon as he passed the equator, every Dutch journalist became a hothead, violent in his reactions to the neglect of the Dutch East Indies colony, where the press was the only mouthpiece for public opinion. In the absence of freedom of the press, the militant, often emotional style of the Indies press, popularly dubbed 'tropical style', not infrequently gave rise to head-on collisions between newspapers and governors.
Because they circulated in relatively small communities, there was a strong bond between these papers and their readers, with their unquenchable thirst for diversion and entertainment. Hence they are an invaluable source on the intimate history of the Europeans and on inter-ethnic relations in the colony, while the serial stories they featured formed the basis for Dutch Indies literature. This unique work, based on the actual newspapers themselves from 1744 to 1905 (about seventy in all), describes the history of the Indies press. It contains a wealth of information on colonial politics, society and culture.
Co-published with Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam

Edited by J.W. Schoorl

This book contains the lectures delivered at the presentation of the book Besturen in Nederlands-Nieuw-Guinea 1945-1962 on 29 August 1996. A kaleidoscope of subjects passes in review, ranging from the pre- and protohistory of New Guinea to the decolonization and the return of the Dutch to the island.

Edited by J.W. Schoorl

This is a collection of 25 stories by 17 former Dutch New Guinea civil servants about their life and work in this remote area between 1945 and 1962. The majority of the articles read like hair-raising adventure stories and exciting tales of sometimes bizarre events—portraying the work of real frontiersmen, in fact. At the same time they paint a picture of the daily duties of these officials.